Socratisch gesprek
Oorsprong
Twee Duitse filosofen (Nelson en Heckmann)
ontwikkelden in de eerste helft van de twintigste eeuw de Socratische gespreksmethode
als techniek om groepsgewijs een vraagstuk te analyseren. De methode bestaat uit het
gezamenlijk 'hardop' doen van onderzoek aan de hand van een fundamentele,
voor de praktijk van alle dag relevante vraag. De Socratische gespreksmethode zoals
deze de laatste jaren wordt toegepast, leent zich goed voor allerlei situaties - zowel privé- als werkgerelateerd.
In Nederland is onder andere de filosoof/trainer Jos Kessels
bekend geworden met zijn (literatuur over) de toepassing van de methode.
Ymkje de Boer baseert haar Socratische gesprekken vooral op deze methode,
maar laat zich ook inspireren door andere aanpakken - met name die van
praktisch filosoof Dries Boele.
Op zoek naar wijsheid
Het Socratische gesprek heeft de vorm van een dialoog.
Een dialoog is iets heel anders dan bijvoorbeeld een vrijblijvende brainstorm
of een discussie waarin je elkaar probeert te overtuigen.
Een dialoog vereist bijvoorbeeld dat deelnemers hun persoonlijke overtuigingen
(even) loslaten en meedenken met de anderen om heersende meningen, ervaringen, normen en waarden op hun waarde te schatten.
Tezamen bekijken de deelnemers of ze 'gezamenlijke grond' kunnen ontdekken.
Deze 'grond' bestaat uit analyses, uitwerkingen, beelden, vragen en antwoorden gerelateerd aan het vraagstuk,
waarover de deelnemers het in de loop van het gesprek eens zijn geworden.
In een Socratisch gesprek wordt van concreet naar abstract gewerkt.
Dat wil zeggen dat de concrete ervaring en de analyse daarvan centraal staat.
Als duidelijk is hoe de uitgangsvraag vanuit de specifieke casus beantwoord zou kunnen worden,
wordt de overstap naar 'alle mogelijke casussen' gemaakt.
De methode gaat ervan uit dat iedereen verborgen kennis heeft met betrekking tot het te onderzoeken vraagstuk. Het gaat dan niet om wetenschappelijke kennis, maar om doorvoelde kennis of 'praktische wijsheid'. Dit soort kennis is persoonsgebonden, maar kan in een dialoog ook op een bovenpersoonlijk niveau getild worden. Expertise van buitenaf inbrengen is dus juist niet de bedoeling! De externe gespreksleider fungeert slechts als 'vroedvrouw' in de Socratische zin des woords: helpen bij de geboorte van dat wat al aanwezig is.
Voorbeeldvragen
- Wat is vriendschap?
- Wanneer moet je je betrokkenheid bij anderen tonen?
- Welke betekenis heeft werk?
Goede voorbeelden kunnen over van alles gaan. Over een ontmoeting in de supermarkt, over het al dan niet ingaan op de vraag om boodschappen te doen voor je zieke buurvrouw, over het indienen van een ontslag, enzovoort.
Rolverdeling
- Er is een gespreksleider, die vragen stelt, verheldert, samenvat, het gesprek structureert. Deze gespreksleider doet niet inhoudelijk mee aan het onderzoek.
- Er is een 'voorbeeldgever'. Deze persoon vertelt over een voorval (een casus), dat in het kader van de uitgangsvraag relevant is. Het voorval moet, net als de uitgangsvraag, aan een aantal criteria voldoen om geschikt te zijn voor de methode (zie verderop).
- De andere gespreksdeelnemers denken mee met de voorbeeldgever, stellen vragen en geven zelf ook antwoorden. Het voorval van de voorbeeldgever wordt het onderzoeksobject van de hele groep.
Spelregels
- De uitgangsvraag moet te beantwoorden zijn door na te denken – niet door bijvoorbeeld een proef te doen of een pilot te ondernemen.
- De voorbeelden moeten uit de eigen praktijk komen - liefst in de verleden tijd, maar niet te lang geleden. De voorbeeldgever moet er zelf een rol in gespeeld hebben, dus geen hypothetische situaties. Het moet gemakkelijk in zijn geheel 'op journalistieke wijze' te vertellen te zijn, dus niet te complex. Anderen moeten zich in elkaars situatie kunnen verplaatsen. Het is beter als deelnemers niet (meer) al te emotioneel betrokken zijn bij het voorval.
- Er mag tijdens het gesprek niet gewerkt worden met abstracte definities, alleen met concrete beschrijvingen van wat deelnemers zelf vinden of ervaren hebben, dus geen sociaal wenselijke antwoorden. Zo mogen er ook niet zomaar stellingen worden betrokken; deelnemers mogen alleen iets poneren als er een goede rechtvaardiging voor is en de groep daar consensus over kan bereiken. Dit gebeurt niet door overtuiging (retoriek), maar door het gezamenlijk onderzoeken van de gronden waarom iemand iets vindt.
Collegiale Dialoog
Een variant op het 'klassieke' Socratische gesprek is de Collegiale Dialoog, die Ymkje de Boer tezamen met collega-filosoof Désirée Verberk heeft ontwikkeld. Hierbij stelt u als opdrachtgever een thema aan de orde dat u graag wilt bespreken met directe collega's of juist met anderen die zich ook met thema geconfronteerd zien. Download de PDF-brochure voor meer informatie.
Collega-gespreksleiders naast Désirée Verberk zijn:
- Dries Boele (Amsterdam)
- Erik Boers (Eindhoven)
- Hans Bolten (Heiloo)
- Jos Kessels (Amsterdam)
- Loes de Jong (Amsterdam)
